Gods liefde (8)
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.
Johannes 1:16 en 17
Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.
Mattheüs 5:17
God is liefde. Dat is Hij nu en dat is Hij altijd geweest. Dat was Hij ook tijdens de periode van het Oude Testament, hoewel dat niet altijd zo lijkt en niet altijd goed wordt begrepen.
Ik probeer dit aan de hand van bovenstaande teksten te laten zien.
We hebben in de vorige afleveringen gezien dat het Hebreeuwse woord voor mens adam is. Dit woord betekent ook mensheid. Dat komt, omdat de hele mensheid lag opgesloten in de mens, in de eerste mens, in de eerste man. God maakte zijn lichaam uit het stof van de aarde en blies er Zijn adem in. Dat was de levensadem van die mens. Het was ook zijn geest, die hem onder meer verstand gaf. Daarna nam God de eerste vrouw uit die man. Het lichaam en het leven, de levensadem, van de eerste vrouw zijn dus uit de eerste man. Vervolgens kregen zij de opdracht om weer één te worden en zich te vermenigvuldigen. In feite stelt God vast dat ze weer één zullen worden en zich zullen vermenigvuldigen. En ook hier begint hij bij de man. Van hem gaat het initiatief om zich te vermenigvuldigen uit: Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn (Genesis 2:24).
Het leven van de hele mensheid lag dus opgesloten in het leven van die eerste man. Maar voordat hij zich voortplantte, stierf hij. Hij overtrad Gods gebod en het gevolg was dat hij een lichaam kreeg van zonde en dood, dat sterfelijk was en naar de zonde neigde en uiteindelijk weer terug zou keren naar het stof, waaruit het was genomen. Dit lichaam gaf hij tijdens zijn geslachtsgemeenschap met zijn vrouw via zijn zaad door aan zijn nageslacht, aan alle mensen. En daarmee kwam de dood er voor alle mensen.
De dood was Gods bedoeling echter niet. Zijn bedoeling was het leven. En daarvoor heeft Hij ook gezorgd. Job zegt: Ik weet, dat Gij alles vermag, en dat geen uwer plannen wordt verijdeld (Job 42:2, NBG51). En de Heere Jezus zegt: (..) Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk (Matth. 19:26).
Ik wil dit aan de hand van Romeinen 5 vanaf vers 12 laten zien.
Maar vooraf geef ik eerst een korte inleiding.
Paulus gebruikt in Romeinen 12 onder meer de Griekse woorden parabasis, paraptoma, krima en katakrima.
Het Griekse woord parabasis betekent overtreding, de overtreding van een uitdrukkelijk, expliciet gegeven wet of gebod (zie Thayer ’s Greek Lexicon).
Het Griekse woord paraptoma, dat in de Herziene Statenvertaling is vertaald met het woord overtreding, betekent misdaad (zie Thayer ‘s Greek Lexicon). Het is een daad, die Gods doel mist. Het is een daad, die Gods bedoeling niet is.
Toen Adam Gods gebod overtrad, beging hij een overtreding, een parabasis, want hij overtrad een uitdrukkelijk gegeven gebod. Maar hij beging ook een misdaad, een paraptoma, want hij deed iets dat Gods bedoeling niet was.
Het Griekse woord krima, dat de HSV hier vertaalt met het woord veroordeling, betekent oordeel (zie Thayer ‘s Greek Lexicon). De Engelse King James, bijvoorbeeld, vertaalt het dan ook zo. Ik zal een voorbeeld geven van een oordeel. Als de rechter zegt: “De wet verbiedt sneller dan 100 km per uur rijden op de snelweg en u hebt 150 km per uur gereden op de snelweg, dus u hebt de wet overtreden,” is dat een oordeel.
Het Griekse woord katakrima, dat de Statenvertaling en de HSV vertalen met verdoemenis, betekent veroordelend vonnis (zie Thayer ‘s Greek Lexicon). Ik zal weer een voorbeeld geven. Als de rechter tot het oordeel is gekomen dat je 150 km per uur hebt gereden op de snelweg, dus de wet hebt overtreden, kan hij een veroordelend vonnis uitspreken. Hij kan zeggen: “Ik veroordeel u daarom tot het betalen van een boete van € 300,00.” Het oordeel van de rechter leidt dan tot een veroordelend vonnis.
Paulus bespreekt in Romeinen 5 o.m. Genesis 2 en 3 en een aantal van de hierboven genoemde woorden hebben daarop betrekking.
In Genesis 2:16 en 17 geeft God uitdrukkelijk een gebod:
En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.
In Genesis 3:6 lezen we dat Adam dit gebod overtrad. Hij beging een overtreding, een parabasis:
En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan.
In Genesis 3:17a stelt God dit vast. Dat is Zijn oordeel, Zijn krima:
En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten
Vervolgens, in Genesis 3:17b-19, spreekt God een veroordelend vonnis, een katakrima, uit:
En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren.
Dus: uit Gods gebod en Adams overtreding van dat gebod, zijn parabasis, vloeit Gods oordeel, Zijn krima, voort. En dat oordeel leidt tot Zijn veroordelende vonnis, Zijn katakrima.
Het is belangrijk om het voorgaande in gedachten te houden bij de uitleg van Romeinen 5. Ik begin nu met de uitleg van vers 12 en zal de volgende keer verder gaan met de volgende verzen.
Romeinen 5:12: Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, in wie allen gezondigd hebben.
1. Daarom. Paulus begint met het woord daarom of dus. Dat betekent dat er een conclusie volgt, een slotsom, een samenvatting van wat hij tot op dat moment in de Romeinenbrief heeft gezegd. Maar deze samenvatting is tegelijkertijd een uitleg.
2. Zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen. Paulus zegt dat er door één mens zonde in de wereld is gekomen. Hij noemt daarbij de naam Adam niet, maar hij bedoelt Adam wel. We weten dat, omdat we het verhaal uit Genesis 2 en 3 kennen, maar ook omdat we het kunnen opmaken uit Romeinen 5:14, waar hij die ene mens Adam noemt: Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam (..). Adam zondigde door Gods gebod te overtreden, zoals we al hebben gezien.
3. En door de zonde de dood. Nadat Paulus heeft gezegd dat er door één mens zonde in de wereld is gekomen, zegt hij dat er door die ene zonde ook dood in de wereld is gekomen. Dit is de lichamelijke dood: Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven. (..) In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren (Gen. 2:17 en 3:19). Deze lichamelijke dood is een proces, want: a. Er staat in Genesis 2:17 in het Hebreeuws drie keer het woord sterven: maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven (Hebreeuws: mut mut mut (of vervoegingen daarvan)). Uit de werkwoordsvormen van het Hebreeuwse woord mut die worden gebruikt (er wordt twee keer een imperfectum gebruikt), kun je afleiden dat er eigenlijk staat: u zult voortdurend sterven. U zult stervende sterven. b. Als God het veroordelende vonnis uitspreekt in Genesis 3, zegt Hij: stof bent u en u zult tot stof terugkeren. Daarna heeft Adam nog bijna 1.000 jaar geleefd. De lichamelijke dood was en is dus een proces. Het is een lichamelijke aftakeling die uiteindelijk leidt tot scheiding van lichaam en geest, de ultieme vorm van de lichamelijke dood.
Hoe kon God dan zeggen dat Adam zou sterven op de dag dat hij Zijn gebod zou overtreden: maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven (Genesis 2:17)? Omdat Adam op het moment dat hij van de verboden boom at een sterfelijk lichaam kreeg, een lichaam dat vatbaar was voor en onderhevig was aan dood en verderf. Dit heb ik in een eerdere aflevering uitgelegd. Als hij dit lichaam (van zonde) en dood niet zou hebben gekregen op het moment waarop hij zondigde, zou het proces van de lichamelijke dood ook niet in gang kunnen zijn gezet. Want dan zou zijn lichaam eenvoudigweg niet vatbaar zijn geweest voor de dood.
4. en zo de dood over alle mensen is gekomen. Vervolgens zegt Paulus dat op die manier de dood over alle mensen is gekomen. Alle mensen hebben op die manier ook een lichaam van dood gekregen. Want Adam gaf zijn lichaam van (zonde en) dood tijdens zijn geslachtsgemeenschap met Eva via zijn zaad door aan zijn nageslacht, aan alle mensen.
5. in wie allen gezondigd hebben. Dit deel van vers 12 kan zo niet worden vertaald (en wordt ook door vrijwel geen enkele Bijbelvertaling zo vertaald), want:
a. taalkundig gezien is het onmogelijk om zo te vertalen. De Griekse woorden die door de Herziene Statenvertaling worden vertaald als in wie zijn de woorden epi os. Het woord epi betekent niet in. Het betekent op. En een daarvan afgeleide betekenis is op grond van. Het woord os is een betrekkelijk voornaamwoord, een woord dat terugslaat op iets, dat eerder in de zin is genoemd. Een voorbeeld van een betrekkelijk voornaamwoord is: de fiets, die in de tuin staat. Het woordje die is een betrekkelijk voornaamwoord en het slaat op het woord fiets. Wat we ook moeten weten, is dat sommige woorden in het Grieks, zoals zelfstandige naamwoorden en betrekkelijke voornaamwoorden, een geslacht hebben. Ze zijn onzijdig, mannelijk of vrouwelijk. Een onzijdig betrekkelijk voornaamwoord kan niet op een mannelijk of vrouwelijk woord slaan. Het woordje os in dit vers is onzijdig. Het woordje mens, anthropos, is mannelijk. Het woordje zonde, hamartia, is vrouwelijk. Het woordje dood, thanatos, is ook mannelijk. Het woordje os in vers 12 slaat dus niet op de woorden mens, zonde of dood. Waarop slaat het dan wel? Het slaat op het voorgaande zinsdeel. Want een betrekkelijk voornaamwoord kan ook slaan op een voorgaande zin of een voorgaand zinsdeel. Het slaat hier op het voorgaande zinsdeel: en zo de dood over alle mensen is gekomen. Dan staat er: op grond van het feit dat de dood is doorgegaan tot alle mensen, hebben alle mensen gezondigd. En dat klopt precies. Zoals gezegd krijgen alle mensen via Adams zaad een lichaam van zonde en dood, dat sterfelijk is en dat neigt naar de zonde en daarom hebben alle mensen gezondigd (of: zondigen alle mensen).
b. het kan gezien de context zo niet worden vertaald. In vers 14 staat: Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam, die een voorbeeld is van Hem Die komen zou. Alle mensen die hebben geleefd tussen Adam en Mozes hebben wel gezondigd, maar niet met de overtreding van Adam. Ze hebben wel gezondigd, maar ze hebben geen parabasis begaan, geen overtreding van een uitdrukkelijk gebod of een beschreven wet, zoals Adam. Verderop in het hoofdstuk wordt gezegd dat hun zonden paraptoma waren, misdaden. Dus: Adams overtreding was niet de overtreding van alle andere mensen. Toen Adam zondigde, zondigden alle andere mensen niet.
Romeinen 5:12 moet dan ook als volgt worden vertaald: Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen, en door de zonde de dood, en zo de dood over alle mensen is gekomen, op grond waarvan allen gezondigd hebben (of: op grond waarvan allen zondigen).
Samenvatting van wat Paulus zegt in Romeinen 5:12: De eerste mens heeft gezondigd en zo een lichaam gekregen dat sterfelijk is en dat neigt naar de zonde. In Romeinen 6 noemt Paulus dit het lichaam van de zonde en Romeinen 7 noemt hij het het lichaam van deze dood. Via voorplanting heeft die ene mens dat lichaam doorgegeven aan zijn hele nageslacht, aan alle mensen. Het lichaam van alle mensen is dus ook sterfelijk en neigt ook naar de zonde. En daarom, op grond daarvan, zondigen alle mensen.
….
….