Gods liefde (10)
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.
Johannes 1:16 en 17
Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.
Mattheüs 5:17
God is liefde. Dat was Hij ook in het Oude Testament, maar dat lijkt niet altijd zo. Het doel van deze serie is om dit te laten zien. In verband daarmee ben ik begonnen met het uitleggen van Romeinen 5 vanaf vers 12. De laatste keer ben ik geëindigd met de volgende samenvatting van de verzen 12-14:
Adam overtrad Gods uitdrukkelijke gebod. Hij beging een overtreding. De straf op deze overtreding was de dood. Hij kreeg een lichaam van zonde en dood, een sterfelijk lichaam dat neigde naar de zonde en dat terugkeerde tot het stof waaruit het was genomen.
Dit lichaam gaf hij via zijn zaad door aan zijn nageslacht dus aan alle mensen. Alle mensen hebben dus ook een sterfelijk lichaam dat neigt naar de zonde en dat is de reden waarom ze zondigen, ook de mensen die leefden tussen Adam en Mozes. Die mensen hadden echter geen uitdrukkelijk door God gegeven wetten. Hun zonden waren dus geen overtredingen van wetten. Daarom konden ze ook niet worden gestraft, gevonnist, met straffen, met vonnissen, die door die wetten gekoppeld waren aan het overtreden van die wetten. Ze konden niet worden gestraft met de dood, zoals Adam, wiens zonde wel een overtreding van een wet was, van een gebod, een gebod dat als straf op overtreding de dood eiste. Maar waarom stierven deze mensen dan? Paulus zegt: hoe konden deze mensen worden gestraft, gevonnist, met de dood, terwijl ze geen wetten overtraden, die als straf op overtreding de dood eisten?
In de verzen 15, 16 en 17 geeft hij indirect antwoord op deze vraag. Maar voordat ik die verzen behandel, geef ik nogmaals de definities van een aantal Griekse woorden:
– Het woord zonde is een vertaling van het Griekse woord hamartia. Hamartia betekent volgens Thayer ’s Greek Lexicon: een gebrek, waardoor je Gods doel mist. Het is een gebrek in iemands gesteldheid of een gebrek in iemands daden, dus je kunt het opsplitsen in twee betekenissen. Hamartia is: 1. Een inwendige gesteldheid, die ertoe leidt dat je Gods doel mist (omdat die gesteldheid leidt tot) 2. een daad waarmee je Gods doel mist.
– Het Griekse woord paraptoma betekent misdaad (zie Thayer ‘s Greek Lexicon). Het is een daad, waarmee je Gods doel mist. Een paraptoma is dus een zonde, hamartia, in de tweede betekenis van dat woord.
– Het Griekse woord parabasis betekent overtreding, de overtreding van een uitdrukkelijk, expliciet gegeven wet of gebod (zie Thayer ’s Greek Lexicon). Een parabasis is niet alleen een overtreding, maar ook een misdaad, een paraptoma, en een hamartia, een zonde.
– Het Griekse woord krima, dat de HSV in Romeinen 5 vertaalt met het woord veroordeling, betekent oordeel (zie Thayer ‘s Greek Lexicon). Het oordeel van God in het geval van Adam was: (..) u hebt geluisterd naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten (Genesis 3:17) (..).
– Het Griekse woord katakrima, dat de Statenvertaling en de HSV in Romeinen 5 vertalen met verdoemenis, betekent veroordelend vonnis (zie Thayer ‘s Greek Lexicon). Het veroordelende vonnis in het geval van Adam was (o.m.): (..) stof bent u en u zult tot stof terugkeren (Genesis 3:19).
En dan nu nogmaals de vraag van Paulus: hoe kan het dat mensen die geen uitdrukkelijk gegeven wet hebben overtreden, dus geen parabasis, geen overtreding, hebben begaan, toch onderworpen zijn aan een veroordelend vonnis, aan een katakrima, aan straf, namelijk aan de straf die werd uitgesproken over Adam: de dood?
Ik wil nu het antwoord van Paulus op deze vraag in de verzen 15, 16 en 17 bespreken en u vragen om niet alleen de hiervoor gegeven definities in gedachten te houden, maar ook te bedenken:
– dat een overtreding, een parabasis, ook een misdaad, een paraptoma, is (en ook een zonde)
– dat de HSV het Griekse woord paraptoma, misdaad, net als het Griekse woord parabasis, vertaalt met het Nederlandse woord overtreding, wat de verzen 15 en verder ondoorzichtig en onbegrijpelijk maakt. Ze hadden beter kunnen kiezen voor het woord misdaad, zoals bijvoorbeeld de Engelse Statenvertaling, de King James, dat heeft gedaan.
Ik laat nu Romeinen 5:15-17 volgen:
Maar het is met de genadegave niet zoals met de overtreding (zoals met de misdaad, Grieks – paraptoma = misdaad). Want als door de overtreding (als door de misdaad, Grieks – paraptoma = misdaad) van de ene (van Adam dus) velen gestorven zijn (aan het veroordelende vonnis, het katakrima, de straf, onderworpen zijn geweest), veel meer is de genade van God en de gave door de genade die er is door de ene mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. En het is met de gave niet zoals het was door de ene die zondigde. Want de veroordeling (het oordeel, Grieks – krima = oordeel) leidde ten gevolge van één overtreding (leidde ten gevolge van één misdaad, Grieks – paraptoma = misdaad) wel tot verdoemenis (tot een veroordelend vonnis, tot straf, Grieks – katakrima = veroordelend vonnis, straf), maar de genadegave bij vele overtredingen (bij vele misdaden, Grieks – paraptoma = misdaad) tot rechtvaardiging. Want als door de overtreding (door de misdaad, Grieks – paraptoma = misdaad) van de ene de dood geregeerd heeft door de ene, veel meer zullen zij die de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid ontvangen, in het leven regeren door de Ene, namelijk Jezus Christus.
Ik zal de verzen 15-17 niet stukje voor stukje uitleggen, omdat ik denk dat ik dit stuk daardoor nog ingewikkelder maak, maar ik zal de antwoorden van Paulus eruit halen. Ik hoop de volgende keer een aantal specifieke zaken uit deze verzen te bespreken.
Paulus geeft indirect twee antwoorden op de vraag hoe mensen die geen overtreding, geen parabasis, hebben begaan, die geen wet hebben overtreden, wel kunnen worden gevonnist/gestraft:
1. Het eerste antwoord vloeit voort uit het feit dat hij de overtreding, de parabasis, van Adam, opeens een paraptoma, een misdaad, noemt (wat het dus ook is). Daarmee schakelt hij Adams daad in een bepaald opzicht gelijk aan de misdaden van de mensen die leefden tussen Adam en Mozes, die geen overtredingen begingen. Hij zegt: Adam beging, met dat hij een parabasis, een overtreding, beging, ook een paraptoma; en de mensen die leefden tussen Adam en Mozes en die geen overtredingen begingen, begingen wel paraptoma, net als Adam. Ze begingen net als hij ook misdaden. Weliswaar overtraden ze geen uitdrukkelijk gegeven wetten, maar ze wisten, dat wat ze deden, fout was. Want God had hun dat geopenbaard. Hij had namelijk wetten in hun binnenste gelegd. Dus waren ze net zo goed schuldig als Adam en waren ze net zo min te verontschuldigen als hij. Dit laatste zegt Paulus er hier allemaal niet expliciet bij, maar hij bedoelt het wel. Hij heeft het namelijk al expliciet gezegd in Romeinen 1 en 2:
Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de (alle) mensen (ook de mensen zonder wetten), die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken, omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard. Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.
Romeinen 1:18-20
Zij (alle mensen, dus ook de mensen zonder wetten van God, zoals de mensen die leefden tussen Adam en Mozes) kennen het recht van God, namelijk dat zij die zulke dingen doen de dood verdienen, en toch doen zij niet alleen zelf deze dingen, maar stemmen ook van harte in met hen die ze doen. (..) Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent (ook al bent u iemand die geen wetten van God heeft gekregen) (u) die anderen oordeelt (Grieks – krino), want waarin u de ander oordeelt (Grieks – krino), veroordeelt (Grieks – katakrino) u uzelf. U immers die anderen oordeelt (Grieks – krino), doet dezelfde dingen. En wij weten dat het oordeel van God in overeenstemming met de waarheid is over hen die zulke dingen doen.
Romeinen 1:32 en 2:1 en 2
Paulus zegt hier: o mens, u oordeelt anderen. U zegt: wat jij doet is fout en verdient de dood. God veroordeelt u niet, want u overtreedt geen wetten, zodat Hij u niet kan veroordelen, maar u veroordeelt met het oordelen van anderen uzelf, want u doet diezelfde foute dingen, en zo verdient u dit vonnis, deze katakrima, deze dood, zelf ook.
Want zij die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan (de dood sterven), en zij die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet. Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van, en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar.
Romeinen 2:12-15
Kortom!! Ook de mensen tussen Adam en Mozes, die geen wetten van God hadden gekregen, en alle andere mensen die geen wetten van God hebben gekregen, verdienen de dood. Want zij begaan misdaden. Zij overtreden de wet die God in hun hart heeft gelegd. Dus ook al kan God hen niet straffen, omdat Hij hen niet uitdrukkelijk wetten met straffen heeft gegeven, ze verdienen die straffen wel.
2. Het tweede antwoord van Paulus op de vraag hoe mensen, die geen uitdrukkelijk door God gegeven wetten hebben gekregen, toch met de dood kunnen worden gestraft, is een nog minder direct antwoord. Het is nauwelijks een echt antwoord, maar toch is het wel een reactie op de vraag die hij zelf opwerpt. Hij zegt: “deze mensen hebben niets te klagen. Weliswaar worden ze via Adam automatisch begiftigd met een sterfelijk lichaam dat neigt naar de zonde; weliswaar worden ze automatisch, via hem, begiftigd met het vonnis dat over hem werd uitgesproken, namelijk de dood; maar ze worden, ook via Iemand anders, begiftigd met een genadegave, die leidt tot vrijspraak van dat doodsvonnis: En het is met de gave niet zoals het was door de ene die zondigde. Want de veroordeling leidde ten gevolge van één overtreding wel tot verdoemenis (namelijk de dood), maar de genadegave bij vele overtredingen tot rechtvaardiging (Grieks – dikaioma = [o.m.] een rechterlijk vonnis van God, waarbij hij verklaart dat iemand aanvaardbaar is voor Hem) (een rechtvaardiging die leven geeft) (Romeinen 5:16).
CONCLUSIE: het vonnis dat werd uitgesproken over Adam, stof bent u en tot stof zult u terugkeren, geldt voor alle mensen, ook al hebben die geen uitdrukkelijk gegeven wetten overtreden, en kunnen ze dus ook niet met dit vonnis worden gestraft. Toch 1. is hun straf rechtvaardig, want ze hebben wel misdaden begaan, omdat ze dingen deden, waarvan ze wisten dat die verkeerd waren, omdat God wetten in hun hart schiep; 2. hebben ze niets te klagen, want hoewel ze door de daad van één mens werden opgezadeld met het veroordelende vonnis van de dood, worden ze ook via één mens vrijgesproken, wat tot leven leidt.
….
www. duchatel.nl
….