Gods liefde (13)
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.
Johannes 1:16 en 17
Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.
Mattheüs 5:17
Ik probeer te laten zien dat God altijd liefde is en altijd liefde is geweest, ook in het Oude Testament. Om dat te doen, leg ik Romeinen 5 vanaf vers 12 uit. Ik ben gekomen tot en met vers 17 en ik heb ook vers 20 aangehaald. Er valt denk ik nog veel te zeggen over vers 16, vers 17 en de rest van de verzen van hoofdstuk 5, maar ik wil me beperken tot vers 20 en daarmee verder gaan, omdat dat ons dichter bij het doel van deze stukjes brengt:
De wet echter kwam er nog bij opdat de overtreding (Grieks – paraptoma = misdaad) zou toenemen, maar waar de zonde is toegenomen, daar is de genade meer dan overvloedig geweest.
Romeinen 5:20
Dit vers laat ons het doel of een van de doelen van de wet zien. God gaf de wet om de zonden te laten toenemen. Hij was niet Degene Die zondigde. Dat zij verre. Hij was ook niet Degene Die, door de wet te geven, aanzette tot de zonde. De wet die Hij gaf, was er al. Ze was er al in de harten van de mensen. Maar de wet in de harten van de mensen raakte meer en meer bedolven onder hun zonden, zodat ze minder en minder voelbaar en minder en minder zichtbaar voor hen werd. De mens werd vleselijker en vleselijker. Dit zie je gebeuren voor de zondvloed, waar de Heere zegt:
(..) Mijn Geest (de geest die Ik Hem heb gegeven door Hem Mijn adem in te blazen, zodat hij contact met mij kan houden) zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.
Genesis 6:3
En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.
Genesis 6:5
Op een gegeven moment was er nog maar één rechtvaardige over, Noach:
Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE. (..) Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten. Noach wandelde met God.
Genesis 6:8 en 9
Noach wandelde met God. Alleen Hij geloofde nog in God.
We hebben nu twee stappen gezet:
1. God gaf de wet, zodat de zonde zou toenemen. Ik geef nog een Bijbels bewijs, dat de zonde toenam door de wet:
Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei: U zult niet begeren. Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood. Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.
Romeinen 7:7-9
2. Toen de wet alleen maar in de harten van de mensen leefde, raakte die bedolven onder hun zonden, zodat ze er minder en minder zicht op hadden en steeds meer gingen zondigen.
Maar wat is dan het verschil met de uitdrukkelijk door God gegeven wet bij de berg Sinaï in de woestijn? Ook die leidt, net als de inwendige wet, tot meer en meer zonden, zoals we zojuist hebben gezien.
Het verschil is dit
a. De uitdrukkelijk door God gegeven wet maakt heel precies zichtbaar wat zonde is, want ze benoemt letterlijk wat zonde is:
Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was, als de wet niet zei: U zult niet begeren.
Romeinen 7:7
b. De uitdrukkelijk door God gegeven wet prikkelt tot zonde; ze zet aan tot zonde en dat doet de inwendig gegeven wet niet:
Maar de zonde heeft door het gebod (de wet) een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood. Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod (de wet) kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.
Romeinen 7:8 en 9
De uitdrukkelijk door God gegeven wet had dus als doel om de mensen exact duidelijk te maken wat zonde is, hoe zondig ze waren en hoe geneigd tot zonde ze waren, door:
1. heel precies te benoemen wat zonde is.
2. de mens aan te zetten tot zondigen.
Maar waarom moest de mens weten hoeveel zonden hij deed en hoe geneigd hij was tot zondigen? Voor het antwoord op deze vraag ga ik naar de brief aan de Galaten:
Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen (Grieks – parabasis = overtreding) wil daarbij gesteld, totdat het Zaad zou gekomen zijn, Wien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des middelaars. (..) de Schrift (de wet) heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus den gelovigen gegeven zou worden.
Galaten 3:19 en 22 (SV)
Paulus zegt ook hier: de wet is door God gegeven, om de zonde, de overtredingen te doen toenemen: Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld. En zoals we hebben gezien, moest de zonde toenemen om de mens duidelijk te maken hoe zondig hij was en hoe geneigd hij was tot zondigen. Paulus zegt er hier echter ook bij waarom de mens moest weten hoe zondig hij was: opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou worden gegeven.
Hij vat dit samen in vers 24:
Zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus (totdat Christus kwam, zie vers 19), opdat wij uit het geloof (van Christus, zie vers 22 hiervoor) gerechtvaardigd zouden worden.
Galaten 3:24
De wet is onze leermeester geweest. De wet was de leermeester van de Joden. Ze leerde de Joden hoe zondig ze waren en hoe geneigd ze waren tot zondigen. En de wet was de leermeester van de Joden, totdat Christus kwam: Waartoe dient dan de wet? Zij is eraan toegevoegd omwille van de overtredingen, totdat het Nageslacht (namelijk Christus) zou gekomen zijn (..) (Galaten 3:19).
De wet leerde de Joden hoe zondig ze waren. De wet leerde de Joden dit, totdat Christus kwam, en ze leerde de Joden dit om ze te leren dat ze uit het geloof van Christus gerechtvaardigd moesten worden.
HEEL KORT GEZEGD: voordat de wet van Mozes er kwam, was er alleen een ingeschapen wet. Die wet vervaagde en vervaagde in het binnenste van de mensen. Ze raakte bedolven onder hun zonden, die, vanwege hun neiging om te zondigen, meer en meer toenamen. Zij zagen dus steeds minder hoe zondig en schuldig ze waren. Om de mens weer te leren hoe zondig en schuldig hij was en hoe onontkoombaar geneigd tot zondigen hij was, gaf God uitdrukkelijk een wet. Hij gaf de wet als het ware op papier. Hij gaf die op twee stenen tafelen. En de mens moest weten hoe schuldig hij was om te beseffen dat Hij de rechtvaardigheid van Christus nodig had. Bovendien mocht de wetenschap van zijn zondigheid en zijn onontkoombare neiging om te zondigen geen vrijblijvende wetenschap zijn, die hij naast zich neer kon leggen; elke zonde die hij deed, moest kunnen worden gestraft; de wetenschap van de noodzaak van de gerechtigheid van Christus moest zo echt dringend worden. De mens moest vanuit zijn ellende, veroorzaakt door Gods straffen, gaan roepen om de aan hem beloofde verlossing (Christus).
De Heere kon dus niet anders dan de wet uitdrukkelijk geven. Er was voor de zondvloed nog maar één mens overgebleven die rechtvaardig was en zicht op Gods wet had: Noach. Er was nog maar één mens over die zodoende besefte dat hij in de belofte die God aan Eva had gedaan (verlossing [in Christus]) moest blijven geloven. Als deze mens ook nog aan de zonde ten onder zou zijn gegaan, zou Christus niet alleen niemand meer van nut hebben kunnen zijn, omdat niemand meer zou hebben beseft hoe schuldig hij was en hoe nodig hij Hem had, maar zou Christus daarom zelfs niet meer hebben kunnen komen: Zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof (van Christus) gerechtvaardigd zouden worden (Galaten 3:24).
Was God dan geen liefde toen Hij de wet gaf, terwijl Hij wist dat de Joden hem niet zouden kunnen houden?
Ja
Hij was liefde.
Hij gaf de wet, omdat er geen andere mogelijkheid was om de wereld via het geloof van Christus van hun zonden te verlossen.
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade (de ene genade na de andere). Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.
God gaf de ene genade na de andere. Eerst de wet, die de komst van Christus mogelijk maakte, daarna Christus Zelf, Die de zonden van de wereld heeft gedragen. Want Hij is niet gekomen ….
(..) om de Wet of de Profeten af te schaffen;
Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen….
opdat u, na Mijn eerste genade, de tweede genade in al zijn VOLHEID zou ontvangen.
….
….