Want als de erfenis uit de wet is, is zij niet meer uit de belofte; maar aan Abraham heeft God die door de belofte genadig geschonken (Galaten 3:18).

 

De erfenis is uit de belofte. Ons is de erfenis beloofd. We erven door niets doen. God is het, Die iets doet en Die iets deed. Want wij zijn niet degenen die de Testamentmaker, Hem die de erfenis in zijn testament heeft vastgelegd, hebben gedood om de erfenis te kunnen ontvangen. God heeft dat gedaan. God (1) heeft Zijn Zoon, de Testamentmaker en tegelijk de Belofte, in Wie alle andere beloften ja en amen zijn, in de dood overgegeven (2) om ons de erfenis te kunnen schenken:

 

(1) hoe zal Hij (God), Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen (in de dood) overgegeven heeft ….

 

(2) ons ook met Hem niet alle dingen (gratis) schenken (Grieks – charizomai = vrijwillig/gratis geven) (Romeinen 8:32)?

 

Ik wil het hebben over Gods liefde. Wat is Gods liefde? Gods liefde is alles gratis geven, voor niets. Zonder er iets voor terug te vragen. Zonder om geld te vragen. Zonder om een tegenprestatie te vragen.

 

Vanuit Gods liefde is het: niets doen, maar toch alles ontvangen.

 

Wij hebben Christus, de Belofte, in Wie alle beloften ja en amen zijn, om niets ontvangen, gratis, zonder er iets voor te doen.

 

Abraham ontving Hem via Izak om niets, vanuit de belofte, zonder er iets voor te doen. Want hij ontving Izak vanuit de belofte, zonder er iets voor te doen, om niet:

 

Zeg mij, u die onder de wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet? Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, een van de slavin (van Hagar, namelijk Ismael), en een van de vrije (van Sara, namelijk Izak). Maar hij (Ismael) die van de slavin (van Hagar) was, is naar het vlees geboren (dus uit Abrahams eigen kracht), hij (Izak) echter die van de vrije (van Sara) was, door de belofte (dus vanuit Gods kracht). Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis; want deze vrouwen zijn de twee verbonden: het ene, dat van de berg Sinaï (het verbond van de wet), dat kinderen voortbrengt voor de slavernij, dat is Hagar. Want deze Hagar is de berg Sinaï in Arabië, en komt overeen met het huidige Jeruzalem (de Joden), dat met haar kinderen in slavernij is (omdat ze de erfenis nog steeds uit de wet willen ontvangen i.p.v. uit de belofte en in Jeruzalem offerdieren blijven offeren). Maar het Jeruzalem dat boven is (waar Christus, de Belofte, is, Die aan de rechterhand van de Vader zit), is vrij, en dat is de moeder van ons allen. Want er staat geschreven: Wees vrolijk, onvruchtbare (Sara), die niet baart (en dat uit eigen kracht ook niet meer kan), breek uit in gejuich en roep, u die geen barensnood kent, want de kinderen van de eenzame (zij, met wie geen (geslachts)gemeenschap meer mogelijk is) zijn veel talrijker dan die van haar die de man heeft (en dus met Hem naar bed gaat). Wij nu, broeders, zijn kinderen van de belofte, net zoals Izak. Maar zoals destijds hij die naar het vlees (uit eigen kracht) geboren was, hem vervolgde die naar de Geest geboren was (uit Gods kracht), zo is het ook nu. Wat zegt de Schrift (de wet) echter (zelf)? Jaag de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de slavin zal beslist niet erven met de zoon van de vrije. Daarom, broeders, wij zijn geen kinderen van de slavin, maar van de vrije (Galaten 4:21-31).

 

Zelfs de wet zelf zegt dat je uit de wet de erfenis niet kunt ontvangen, want zij zegt: jaag de slavin met haar vrucht, haar zoon, dus je eigen werken met hun rotte, onbestendige vruchten, de deur uit, want vanuit je eigen werken zul je de erfenis niet ontvangen.

 

Is het geloof (in de belofte) zonder werken dan niet dood?

 

(1) Ja, zonder de werken is het geloof dood. Zonder geloofswerken, die het geloof bezegelen en er dus een bewijs van zijn, is uw geloof, net als dat van Abraham, dood:

 

En hij heeft het teken van de besnijdenis (die een wet was, een opdracht) ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij had toen hij nog onbesneden was (..) (Romeinen 4:11). Toen Abraham zichzelf en al wat mannelijk was in zijn huis besneed, was dat een geloofswerk. Want het was een duidelijke opdracht van God.

 

(2) Maar pas op, dat u niet voor de troepen uitloopt en vanuit uw vlees begint te werken.

 

Want ook dat deed Abraham. Hem werd een kind beloofd uit Sara, al werd Sara er niet bij genoemd. Hij was immers met Sara getrouwd, toen hem de belofte werd gedaan:

 

Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven, en zie, iemand die in mijn huis geboren is, zal mijn erfgenaam zijn. Maar zie, het woord van de HEERE kwam tot hem: Deze man zal uw erfgenaam niet zijn, maar iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn (Genesis 15:3 en 4).

 

Maar wat deed hij, toen de vervulling van de belofte maar uitbleef en uitbleef (en hij heeft lang gewacht hoor, het was geen kwestie van een paar weken, een paar maanden of een paar jaar). Hij nam Hagar. Hij ging aan het werk. Hij ging zelf aan het werk. Hij ging uit zijn vlees aan het werk. Hij ging iets doen om de manifestatie van de belofte zelf tot stand te brengen, iets, dat God hem niet had opgedragen:

 

Maar Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, van wie de naam Hagar was. Daarom zei Sarai tegen Abram: Zie toch, de HEERE heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen. En Abram luisterde naar de stem van Sarai. Toen nam Sarai, de vrouw van Abram, Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw voor hem. Hij kwam bij Hagar en zij werd zwanger. Toen zij nu zag dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres in haar ogen verachtelijk (Genesis 16:1-4).

 

Dit was subtiele misleiding (de duivel werkt het liefst subtiel). Want in de cultuur van die samenleving en die tijd kon een vrouw die onvruchtbaar was haar slavin aan haar man geven en het kind dat vervolgens geboren werd juridisch als haar eigen kind erkennen, zodat het o.a. de erfenis zou ontvangen. Daarom zegt Sara in Gen. 16:2 letterlijk dat zij uit Hagar gebouwd kan worden: Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden (Hebr. – ibbaneh mimmennah = door haar zal ik een huis krijgen) (Gen. 16:2 SV).

 

Dus Abraham ging aan het werk. Het geloof zonder werken is dood, maar dit was geen geloofswerk. Dit was een werk, dat hij (via Sarai) zelf had verzonnen. Hij had er geen opdracht toe gekregen.

 

Wat was dan wel een geloofswerk geweest om de belofte te kunnen ontvangen? De gewone dingen doen en gemeenschap met Sarai hebben. Dus niet iets speciaals. DAT was zijn werk. Zijn werk was in feite wachten. En kijk hoe dit niets doen culmineert in het ultieme niets doen, omdat hij op een punt kwam, dat hij ook niet anders meer kon dan wachten. Hij kwam op het punt dat niet eens iets meer KON DOEN:

 

Verder zei God tegen Abraham: U moet uw vrouw Sarai niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn. Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit háár een zoon geven; ja, Ik zal haar zo zegenen dat zij tot volken zal worden; er zullen koningen van volken uit haar voortkomen. Toen wierp Abraham zich met zijn gezicht ter aarde en lachte. Hij zei in zijn hart: Zal bij een honderdjarige een kind geboren worden en zal Sara, die negentig jaar is, baren (Genesis 17:15-17)?

 

En Hij zei: Ik zal over een jaar zeker bij u terugkomen; en zie, dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben! Sara hoorde dat bij de ingang van de tent, die achter Hem was. Nu waren Abraham en Sara oud en op dagen gekomen; het ging Sara niet meer naar de wijze van de vrouwen. Daarom lachte Sara in zichzelf: Zal ik nog liefdesgenot hebben, nu ik oud geworden ben en ook mijn heer oud is (Genesis 18:10)?

 

God bracht Abrahams geloofswerk terug tot het ultieme NIETS DOEN. Wachten. Tot God het zou doen. En pas toen het zover was, toen Abraham niets meer KON doen, werd Gods belofte vervuld.

 

Pas op dat u niet voor de troepen uitloopt, want Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. Het ultieme geloofswerk is wachten. Ik geloof dat de Heere ons dat uit deze geschiedenis wil leren, uit de geschiedenis van Abraham, de vader van alle gelovigen, dus een voorbeeld voor alle gelovigen:

 

Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof(swerken) na (Hebr. 13:7).

 

Wachten is vaak veel moeilijker dan werken vanuit uw vlees. Het is onmogelijk. Daarbij hebt u God ook nodig. U hebt God de Geest nodig. Opdat Hij de eer zou krijgen en Hij alles in allen zou zijn. Opdat Hij Zijn ultieme liefde aan u zou bewijzen.

 

Opdat u alles gratis zou krijgen, door NIETS TE DOEN.

 

Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid.

 

Maar ik zeg: Wandel door de Geest en u zult zeker de begeerte van het vlees niet volbrengen (Galaten 5:16).

 

Niets doen en toch alles krijgen.

 

DAT is Gods liefde.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *