Gods liefde (4)
Om deze reden buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heere Jezus Christus, (..) opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent (op het fundament van Gods liefde zou zakken en zo de bodem ervan zou bereiken), opdat u ten volle zou kunnen begrijpen, met alle heiligen, wat de breedte en lengte en diepte en hoogte (van die liefde) is, en u de liefde van Christus zou kennen (Grieks – ginosko), die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God.
Efeze 3:14 en 17-19
Het fundament van de omgang, de gemeenschap met God is het kennen van Zijn liefde. Het Nederlandse woord kennen, dat hier wordt gebruikt, is een vertaling van het Griekse woord ginosko. Dit woord wordt (in de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament) ook gebruikt in Genesis 4:1:
En Adam had gemeenschap (Grieks – ginosko) met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van de HEERE gekregen!
Daarom vertaalt de Statenvertaling:
En Adam bekende (= kende, Grieks – ginosko) Eva, zijn huisvrouw; en zij werd zwanger en baarde Kain, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen.
De ultieme vorm van liefde tussen mensen is het hebben van lichamelijke gemeenschap met elkaar. Die gemeenschap vloeit voort uit het hebben van geestelijke gemeenschap; zij vloeit voort uit het door en door kennen van elkaar; en die lichamelijke gemeenschap zelf versterkt het kennen van elkaar, omdat mensen elkaar zo ook lichamelijk volledig leren kennen; bovendien versterkt zij het geestelijke kennen van elkaar, omdat mensen elkaar zo leren kennen in hun volle naaktheid, d.w.z. in hun volle kwetsbaarheid.
Paulus bidt dus om de ultieme gemeenschap met God, om de volle kennis van Hem; hij bidt om de ultieme vorm van liefde. Gemeenschap met God is uiteraard alleen geestelijk en vindt zijn hoogtepunt niet in het lichamelijke, want God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid (Johannes 4:24).
God kennen is dus gemeenschap met Hem hebben; het is Zijn liefde kennen; het is Zijn wezen, Zijn zijn, Zijn manier van bestaan kennen, want Hij IS Liefde (1 Joh. 4:8).
En God heeft u allereerst lief door u te kennen. Hij kent u. Hij weet wie u bent. Hij weet wat u denkt. Hij kent uw karakter. Hij weet wat u doet. Hij weet wat u nodig hebt en Hij weet hoe Hij u moet benaderen en hoe Hij u moet behandelen. Hij kent uw zwakten en Hij kent uw geheimen:
HEERE, U doorgrondt en kent mij. Ú kent mijn zitten en mijn opstaan, U begrijpt van verre mijn gedachten. U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, U bent met al mijn wegen vertrouwd. Al is er nog geen woord op mijn tong, zie, HEERE, U weet het alles. U sluit mij in van achter en van voren, U legt Uw hand op mij. Dit kennen – het is mij te wonderlijk, te hoog, ik kan er niet bij.
Psalm 139:1-6
Zou God dit niet hebben ontdekt? Hij kent de geheimen van ons hart.
Psalm 44:22 (NBV21)
Hij kent en ziet u als Zijn maaksel, want Hij heeft u geschapen:
Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk (door U) gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, mijn ziel weet dat zeer goed.
Psalm 139:14
Hij kent alle haren op uw hoofd:
En ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld.
Mattheüs 10:30
En dus zorgt Hij voor u.
U hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
Psalm 65:3
zodat u (slechte en goede mensen) kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Mattheüs 5:45
En u wilt gekend worden. Toch?
Als dat zo is, wilt u ook gekend worden in uw schuld. Want u hebt vergeving nodig. En dat weet u. Toch?
Nou, Hij weet dat wel. Hij kent uw schuld, Hij houdt van u en Hij vergeeft u.
Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn: als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven. (..) God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.
2 Korinthe 5:14 en 19
Hij heeft u vergeven om Christus’ wil en Hij is met u verzoend.
En Hij wil gemeenschap met u.
God wil ook gekend worden. Hij wil worden erkend. Hij hunkert naar (er)kenning en Hij zegt tegen u:
“Ik heb u Mijn eigen Zoon gegeven om u met Mijzelf te verzoenen. Zo heb ik voor u gezorgd. Zo heb ik voor alles gezorgd. En zo heb ik in Christus een nieuwe schepping tot stand gebracht.” Want Hij is niet alleen voor u gestorven en u bent niet alleen met Hem gestorven. Nee, Hij is ook voor u levend gemaakt.
En u zult met Hem en net als Hem moeten opstaan en in een nieuw leven moeten gaan wandelen.
En dit alles is uit God, Die ons (u) met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons (u) de bediening van de verzoening gegeven heeft. Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen.
2 Korinthe 5:18 en 20
Hij zegt tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Hij zegt tegen u in uw bloed: Leef.
(Ezechiël 16:6)!
Ik verlang naar u als Mijn bruid. Ik wil gemeenschap met u. Ik hunker naar intimiteit en omgang met u. Ja, zo wil ik u kennen.
Ik heb u vrij gemaakt van de wet, van veroordeling en schuld, trouw met Mij:
Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond. Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt. Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.
Romeinen 7:2 en 3
Ik wil u kennen in Christus.
En u die in Zijn huwelijksaanzoek hebt bewilligd, de weg is vrij. U mag Hem steeds beter leren kennen.
Maar Hij ….
Hij weet al wie Hij getrouwd heeft, omdat Hij u Zelf naar Zijn beeld, in Christus, heeft geschapen en tot een nieuwe schepping heeft gemaakt.
Hij kent u in uw schoonheid:
Je bent zo mooi, vriendin van me. Je bent zo mooi! Je ogen zijn zo zacht als de ogen van een duif, ze glanzen door je sluier heen. Je donkere haar hangt over je schouders, je zwarte krullen lijken op een kudde geiten die van de berg af komt. Je tanden zijn mooi wit, zo wit als schapen die net gewassen zijn, vlak voor het scheren. De schapen komen twee aan twee, er ontbreekt er niet één. Je lippen zijn rood, ze lijken op een donkerrood lint. Je stem klinkt als muziek, zo mooi. Ik zie je mond lachen, door je sluier heen, je mond lijkt op een rode vrucht. Je hals is lang en rond, net als de ronde toren van koning David. Een toren die met schilden versierd is, met duizend schilden van dappere soldaten. Je borsten lijken wel twee kalfjes, of twee jonge herten die tussen de bloeiende lelies lopen. Straks wordt het licht, dan gaat het zachtjes waaien, en dan zal het donker verdwijnen. Dan kom ik naar de berg met al die heerlijke kruiden. Je bent mooi, mijn vriendin. Alles aan jou is mooi, je bent volmaakt!
Mijn bruid, ga met me mee! Kom mee, weg van de Libanon-bergen, van de Amana, de Senir en de Hermon. Daar hebben leeuwen hun hol, en daar verbergen panters zich.
Je laat mijn hart sneller kloppen, mijn meisje, mijn bruid. Je laat mijn hart sneller kloppen met één blik van je ogen, met één kraal van je ketting.
Heerlijk is je liefde, mijn meisje, mijn bruid. Je liefde is beter dan wijn. Heerlijk is de geur van je huid, zoeter dan alle andere geuren. Ik proef de honing van je lippen, de melk en de honing onder je tong. Je kleren ruiken nog naar de Libanon-bergen.
Mijn meisje, mijn bruid, je lijkt op een tuin, een gesloten tuin, met een bron waar niemand bij kan. In die tuin groeien bomen met heerlijke vruchten. Er zijn geurige bloemen en planten. Je vindt er zoete kruiden die heerlijk ruiken, kruiden van allerlei soorten. Je lijkt op een bron in een tuin, met helder water uit de Libanon-bergen.
Hooglied 4:1-13 (BGT)
Wilt u zo niet gekend worden? Zo bent u. Dit bent u. Dit bent u in Zijn ogen en Zijn ogen zijn de enige ogen die er echt toe doen. En liegen kan Hij niet. U voor de gek houden doet Hij niet. Hou dan niet terug en heb gemeenschap met Hem. Vertel Hem alles wat u bezighoudt en laat Hem u kennen in alles en in elk opzicht. Hij zegt tegen u:
Sta op, Mijn vriendin, en kom, Mijn allermooiste! Mijn duif in de kloven van de rots, in de schuilplaats van de bergwand, (verberg u niet langer, maar) laat Mij uw gedaante zien, laat Mij uw stem horen. Want uw stem is zoet en uw gedaante is bekoorlijk.
Hooglied 2:13b en 14
Hou u niet in en roep naar Hem:
Wind uit het noorden en wind uit het zuiden, kom, en waai door mijn tuin! Laat alles heerlijk ruiken. Mijn liefste moet naar mijn tuin komen, om er de zoete vruchten te eten.
Hooglied 4:16 (BGT)
Weet u wat Hij dan zeggen zal? “Ik ben er al. Ik ben jou te snel af. Je hebt nog niet gesproken of ik ben er al. Zo groot is Mijn liefde voor jou. Mijn liefde voor jou is zo groot, dat ze aan jouw liefde vooraf is gegaan:”
Ik ben al in je tuin, mijn meisje, mijn bruid. Ik pluk er geurige kruiden en planten, ik eet er zoete honing en drink er melk en wijn.
Laten we samen eten en drinken, laten we genieten van de liefde (en gemeenschap hebben met elkaar)!
Hooglied 5:1, eerste helft (BGT)
Ja, zo zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot; maar ik spreek met het oog op Christus en de gemeente.
Efeze 5:31 en 32
……..