Voor wie is Christus gestorven (5)?
Christus is voor alle mensen gestorven.
Maar voordat ik dit verder bewijs vanuit het Nieuwe Testament, wil ik eerst nog wat uitgebreider uitleggen dat de Joden niet konden geloven, omdat ze niet wilden geloven (zie het laatste punt van de vorige aflevering).
Johannes
We hebben in de vorige aflevering gezien, dat de Heere Jezus de Joden ervan wilde overtuigen dat Hij door God de Vader was gezonden en dat Hij dus God (de Zoon) is. Hij noemde vier getuigen die daarvan getuigen:
- Johannes de Doper. U hebt mensen naar Johannes gestuurd, en hij heeft van de waarheid getuigd (Johannes 5:33), want hij zei over Mij: (..) Híj was het van Wie ik zei: Deze Die na mij komt (Die na mij is geboren en achter mij aankomt), is vóór mij geworden, want Hij was er eerder dan ik (Hij is God en Hij is er altijd geweest) (Joh. 1:15).
- De wonderen en tekenen van de Heere Jezus. Maar Ik heb een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes, want de werken die de Vader Mij gegeven heeft om die te volbrengen, juist die werken die Ik doe (de wonderen en tekenen die Ik doe), getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft (en dat ik dus God de Zoon ben) (Joh. 5:36).
- God de Vader Zelf. God de Vader getuigde Zelf dat de Heere Jezus God de Zoon is, omdat de Heere Jezus uit de hemel kwam, als Boodschapper van Hem, en de woorden die Hij sprak dus de woorden van God de Vader Zelf waren: En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. U hebt Zijn stem nooit gehoord (want u hebt in Mijn woorden nooit de stem van God de Vader ontdekt), en ook Zijn gedaante niet gezien (want u hebt in Mij ook nooit het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid gezien). En Zijn woord hebt u niet blijvend in u (en de woorden die Ik tot u sprak, zijn niet in u blijven hangen), omdat u Hem niet gelooft Die Hij gezonden heeft (omdat u niet gelooft dat Hij Mij, God de Zoon, vanuit de hemel als Boodschapper naar beneden heeft gestuurd) (Joh. 5:37 en 38).
- De Schriften van Mozes, de eerste vijf boeken van de Bijbel die door Mozes zijn geschreven, ook wel de Wet genoemd, omdat er veel wetten in staan waaronder de tien geboden. U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen. (..) Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. Want als u (de Schriften van) Mozes geloofde, zou u (in) Mij geloven; want hij heeft over Mij geschreven. Maar als u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven (Johannes 5:39, 45-47)?
De Joden hadden dus getuigen genoeg, die getuigden dat de Heere Jezus door God de Vader was gezonden en dus God (de Zoon) is.
Een van die getuigen waren de Schriften, de Schriften van Mozes of de Wet.
Maar de (religieuze leiders van de) Joden hadden naast die Schriften allemaal wetjes en regeltjes verzonnen en daarmee de Schriften krachteloos gemaakt. Zo verboden ze de Heere Jezus bijvoorbeeld om op de sabbat te genezen, omdat dat tegen de Schriften zou zijn, terwijl de Schriften dat helemaal niet verbieden, integendeel zelfs:
En zie, er was een vrouw die achttien jaar lang een geest had die haar ziek maakte en zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. En toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij Zich en zei tegen haar: Vrouw, u bent verlost van uw ziekte. En Hij legde de handen op haar en zij werd onmiddellijk weer opgericht en verheerlijkte God. En het hoofd van de synagoge, die verontwaardigd was dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zei tegen de menigte: Er zijn zes dagen waarop men moet werken. Kom dan daarop en laat u genezen, maar niet op de dag van de sabbat. Huichelaar, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los en leidt hem weg om hem te laten drinken? (Dat verbieden de Schriften toch ook niet)? En moest dan deze vrouw, die een dochter van Abraham is (en die dus veel belangrijker dan een os of een ezel is) en die de satan, zie, nu achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de dag van de sabbat (Luk. 13:11-16)?
Ook ontkenden de Joden dus dat de Heere Jezus door God de Vader was gezonden en dus God de Zoon is, hoewel de Schriften daarvan getuigden:
Ik (God) zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken (Deuteronomium 18:18).
De Joden hadden dus hun eigen godsdienst gecreëerd, een godsdienst die los stond van de Schriften van Mozes. Ze hadden hun eigen wetjes en regeltjes aan die Schriften toegevoegd en bovendien ontkenden ze dat de Heere Jezus door de Vader was gezonden en God is, terwijl de Schriften daarvan juist getuigden. Hun godsdienst was een godsdienst die de Heere Jezus niet eerde, maar die Hij juist aan de kaak stelde en daarmee eerde Hij hen zelf niet maar ontmaskerde Hij hen.
En daarom haatten ze Hem en wilden ze Hem niet geloven. Daarom wilden ze niet geloven dat Hij door God de Vader gezonden was en God de Zoon is:
Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader (en ik ben dus als God de Zoon naar u toegestuurd), maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen. Hoe kunt u (in Mij) geloven, u die eer van elkaar aanneemt en de eer van de enige God (Wiens Boodschapper ik ben) niet zoekt (omdat Hij u en uw godsdienst veroordeelt) (Joh. 5:43 en 44)?
Ze haatten de Heere Jezus en ze haatten Zijn Vader en daarom wilden ze niet geloven. Ze sloten hun ogen voor alle getuigen die van Zijn Godheid getuigden en daarom konden ze niet meer geloven. Ze sloten hun ogen voor het licht dat ze ontvingen en trok God de Vader hen niet meer, maar verhardde Hij hun hart nog meer, zodat ze niet meer verder konden kijken dan wat ze met hun natuurlijke ogen zagen en Gods bovennatuurlijke licht niet meer konden zien.
De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood dat (door de Vader is gezonden en dat) uit de hemel neergedaald is. En zij zeiden: Is Hij niet (gewoon) Jezus, de zoon van Jozef, van wie wij de vader en moeder kennen (komt Hij niet gewoon van beneden)? Hoe kan Hij dan zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald? Jezus antwoordde dan en zei tegen hen: Mor niet onder elkaar. (U kijkt slechts met uw natuurlijke ogen, u ziet slechts Mijn natuurlijke afkomst, en u verwerpt alle getuigen, die van Mij getuigen en die Ik u heb genoemd en daarmee verwerpt u het bovennatuurlijke, mijn bovennatuurlijke afkomst, en sluit u uw ogen voor het bovennatuurlijke licht van Mijn Vader, zodat u niet meer kunt komen. Want) niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag (Johannes 6:41-44).
Dus: de Joden wilden niet geloven dat de Heere Jezus als God de Zoon door God de Vader vanuit de hemel was gezonden, hoewel er getuigen genoeg waren die dat wel getuigden. Ze wilden dus niet geloven dat Hij God de Zoon is. Ze wilden dat niet geloven, omdat Hij hun zelfverzonnen godsdienst afkeurde en hen dus niet eerde, maar juist ontmaskerde. Ze sloten hun ogen voor het bovennatuurlijke en daarmee sloten ze zich af voor het trekkende licht van de Vader en waren ze er zelf verantwoordelijk voor dat Hij hun hart nog verder verhardde, zodat ze niet meer konden zien.
Ik laat hieronder nog een aantal teksten en passages volgen (een aantal teksten en passages uit het evangelie van Johannes en een passage uit de brief aan de Romeinen), waaruit blijkt dat sommige mensen niet wilden geloven (en waaruit soms dat ze daarom ook niet meer konden geloven):
- God de Zoon is het Licht van de wereld en Hij verlicht elk mens. God de Vader heeft dit Licht in de wereld gezonden om de wereld te behouden. Maar sommige mensen willen niet worden verlicht. Ze willen niet tot het Licht komen en in het Licht geloven, omdat hun duistere werken anders door het Licht openbaar gemaakt zouden worden.
In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is. In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen (Johannes 1:1-4). (En) God heeft de wereld zo lief gehad, dat Hij (dit Licht), Zijn eniggeboren Zoon, gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. En dit is het oordeel, dat het licht (Gods eniggeboren Zoon) in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht (meer dan Gods eniggeboren Zoon), want hun werken waren slecht. Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden (Johannes 3:16-20).
- U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen. En toch wilt u niet tot Mij komen opdat u leven hebt (Johannes 5:39 en 40).
- Sommige Joden konden niet in Jezus geloven, omdat ze de leugen liever hadden dan de waarheid die Jezus sprak. Ze konden niet in Jezus en Zijn waarheid geloven, omdat ze de leugen liefhadden en daarom de waarheid niet wilden geloven:
Jezus dan zei tegen hen: Als God uw Vader was, zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Want Ik ben ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. Waarom begrijpt u niet wat Ik zeg? Omdat u Mijn woord niet kunt horen. U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen. Maar Mij, omdat Ik de waarheid spreek, Mij gelooft u niet (Johannes 8:42-45).
- Sommige Joden geloofden niet in de Heere Jezus, omdat ze Hem niet wilden volgen:
De Joden dan omringden Hem en zeiden tegen Hem: Hoelang houdt U ons in het onzekere? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en u gelooft het niet. De werken die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij. Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij (Johannes 10:24-27).
- De wereld heeft de werken van God de Zoon gezien en Hem daarom gehaat. Ze heeft kunnen begrijpen of heeft begrepen Wie Hij is, en Hem gehaat om Wie Hij is. Ze wilden niet in Hem geloven en Hem geen God laten zijn en dat was hun zonde.
Als Ik niet gekomen was en tot hen (de wereld) gesproken had, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader. Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft (omdat Ik God de Zoon ben en door God de Vader ben gezonden), hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij ze gezien (en begrepen of kunnen begrijpen Wie ik ben) en Mij en Mijn Vader gehaat (Johannes 15:22-24).
- Het volgende citaat gaat over niet willen geloven en daardoor niet meer kunnen geloven, omdat God als gevolg van die onwil het verstand verduistert. Het citaat heeft echter geen betrekking op de Joden en op hun ongeloof met betrekking tot de Heere Jezus als God de Zoon, maar op alle mensen en op het ongeloof van sommige mensen met betrekking tot God:
Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken, omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard. Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn. Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd. Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden en hebben zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens, op vogels en op viervoetige en kruipende dieren. (..) En omdat het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen (Romeinen 1:18-23 en 28).