Voor wie is Christus gestorven (6)?
Ik behandel hieronder nog twee teksten uit het evangelie van Johannes die over de reikwijdte van de verzoening gaan.
Johannes
- Ik (Jezus) ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen (Johannes 10:11).
Sommige Joden konden dus niet meer tot Christus komen, omdat ze niet wilden komen. Ze wilden niet geloven dat Hij God de Zoon is en als zodanig was gezonden door God de Vader. Ze verwierpen Hem als God de Zoon en daarmee verwierpen ze God de Vader. En zo verwierpen ze het L(l)icht van God de Vader. Daarom verduisterde God de Vader hun verstand en trok Hij hen niet (meer). Het gevolg daarvan was, dat ze niet meer in staat waren om te begrijpen wie Christus is en ze konden de geestelijke dingen die Hij zei niet snappen:
Ik (Jezus) ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld. De Joden dan redetwistten met elkaar en zeiden: Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven (Johannes 6:51 en 52)?
Deze Joden haatten het L(l)icht, omdat hun werken boos waren. Hun godsdienst was een slechte godsdienst en dit L(l)icht bracht dat aan het licht, maar ze wilden die godsdienst niet loslaten:
In het Woord (God de Zoon) was het leven en het leven was het licht van de mensen. (..) Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht (Johannes 1:4 en 9). (..) En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht. Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden (Johannes 3:19 en 20).
De evangelist Johannes laat dit ook zien in zijn brieven. Hij laat zien dat God licht is en dat Christus licht is. Hij laat zien dat degenen die wel tot het Licht, tot Christus komen, dat L(licht) zo op hun boze werken laten schijnen, dat wil zeggen: ze erkennen dat hun werken boos zijn en dat het bloed van dat Licht reinigt van al die boze werken en ze zijn bereid om in Zijn kracht afstand van die boze werken te doen en dus gemeenschap met elkaar te hebben en elkaar lief te hebben (en niemand te verbieden om op de sabbat te genezen). En op die manier hebben ze gemeenschap met het Licht. Maar zij die zeggen dat ze geen boze werken hebben, komen tot het Licht niet en maken Hem tot een leugenaar:
En dit is de boodschap die wij van Hem (God de Zoon) gehoord hebben en aan u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is. Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en wij toch in de duisternis wandelen, liegen wij en doen de waarheid niet. Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. (Want) Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar en is Zijn woord niet in ons (1 Johannes 1:5-10).
Sommige Joden wilden dus hun schuld niet erkennen. Ze wilden hun valse, onbarmhartige godsdienst vasthouden. Ze wilden hun eigen god zijn en blijven en de noodzaak van verlossing door God Zelf niet erkennen.
Allen echter die Hem wel erkennen als God de Zoon, Die door God de Vader is gezonden om te verlossen, worden via Zijn boodschap door God de Vader getrokken en leren Hem meer en meer kennen, en zo geeft de Vader ze aan Zijn Zoon en de Zoon geeft ze het eeuwige leven:
Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen. Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil van Hem Die Mij gezonden heeft. En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag (en zo het eeuwige leven geef) (Johannes 6:37-39).
Dus:
– God de Vader gaf God de Zoon uit liefde aan alle mensen:
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (..) (Johannes 3:16).
– God de Vader trekt eenieder die dat erkent, die erkent dat God de Zoon de Gezondene is van de Vader. Hij geeft ze aan God de Zoon. Maar degene die dat niet wil erkennen en zich voor Hem afsluit, verblindt Hij:
Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag (Johannes 6:44).
– En God de Zoon geeft degenen die tot Hem komen het eeuwige leven:
En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken (Johannes 10:28).
Conclusie: Degenen die God de Vader en God de Zoon geen God willen laten zijn, maar zelf god willen blijven en hun zonden en hun behoefte aan God de Zoon als hun Verlosser niet willen erkennen en dus niet tot het L(l)icht willen komen, kunnen daardoor ook niet meer komen, omdat God de Vader hun vermogen om verlicht te worden wegneemt, zodat zij de waarheid niet meer kunnen zien en zo verloren gaan. Maar degenen die hun schuld en hun behoefte aan een Verlosser wel erkennen en Christus erkennen als God de Zoon, de gezondene van de Vader, worden door de Vader aan de Zoon gegeven, komen zo tot het Licht en krijgen van God de Zoon eeuwig leven. Zij zijn Zijn schapen:
Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken (Johannes 10:27 en 28).
En daarmee ben ik bij de tekst gekomen die ik wil uitleggen:
Ik (Jezus) ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen (Johannes 10:11).
Dit is een tekst uit Johannes 10. De Heere Jezus zet Zichzelf in Johannes 10 neer als de goede Herder tegenover de slechte Joodse herders en leraars, de huurlingen, de Farizeeën die zichzelf niet voor hun schapen over hebben, maar als het eropaan komt zelfs op de vlucht slaan. Ze waren zo slecht, dat ze Jezus wilden doden, omdat Hij genas op de sabbat. Ze wilden niet toestaan dat hun schapen op de sabbat werden verlost:
Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen. Maar de huurling en wie geen herder is, die de schapen niet tot eigendom heeft, ziet de wolf komen en laat de schapen in de steek en vlucht; en de wolf grijpt ze en drijft de schapen uiteen. En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert. (Maar) Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en word door de Mijnen gekend, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik geef Mijn leven voor de schapen (Johannes 10:11-15.
Jezus is in tegenstelling tot deze Joodse herders zo’n goede Herder, dat Hij Zichzelf voor Zijn schapen overgeeft in de dood, opdat zij kunnen leven:
(..) Ik ben gekomen, opdat zij (mijn schapen) leven hebben en overvloed hebben. Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen (Johannes 10:10 en 11).
Betekent dit nu dat de goede Herder Zijn leven niet voor iedereen geeft? Geeft Hij Zijn leven niet voor de wereld? Jawel. Maar degenen die dat niet geloven, weigeren om Zijn schapen te zijn. Zij komen niet tot Hem, dus kan Hij hen het eeuwige leven niet geven. Zij sluiten zichzelf uit.
– God de Vader gaf Zijn Zoon aan alle mensen als het Lam van God, als Degene Die Zich voor alle mensen opoffert:
De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen en hij zei: Zie het Lam van God (de Vader), Dat de zonde van de wereld wegneemt (Johannes 1:29)!
– God de Zoon gaf Zichzelf (als mens) voor alle mensen als Losprijs. Hij gaf Zichzelf als betaalmiddel waarmee Hij alle mensen vrijkocht uit de slavernij van de zonde en de duivel:
Want er is één God. Er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus. Hij heeft Zich gegeven als een losprijs voor allen. Dit is het getuigenis op de door God bestemde tijd (1 Timotheüs 2:5 en 6).
– Maar God de zoon gaf Zichzelf alleen als Herder voor Zijn schapen. Hij gaf Zichzelf als Herder alleen voor Zijn schapen, omdat Hij Zich als Herder niet kan geven voor degenen die zijn schapen niet willen zijn. En alleen zijn schapen krijgen het eeuwige leven.
- De tweede tekst die ik wil uitleggen is Johannes 11:50-52: En u overweegt niet dat het nuttig voor ons is dat één Mens sterft voor het (Joodse) volk, en niet heel het (Joodse) volk verloren gaat. Dit zei hij echter niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het (Joodse) volk, en niet alleen voor het (Joodse) volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid (Grieks – diaskorpizo = verstrooid), bijeen te brengen.
Kajafas profeteerde dat de Heere Jezus zou sterven voor heel het Joodse volk, dus niet alleen voor bepaalde Joden uit het Joodse volk.
In het Oude Testament worden de Joden en het Joodse volk de kinderen van God genoemd (zie bijv. Exodus 4:22 en 23, Deut. 14:1, Jer. 3:14, 19 en 22, Jer. 31:19, enz.). Sommige Joden waren onder de andere volken, de heidenvolken, verstrooid, vaak omdat ze niet meer terugkeerden uit de ballingschap waarin God ze had gebracht. Ze waren tot die andere volken gaan behoren, hoewel het wel Joden bleven:
De Joden dan zeiden tegen elkaar: Waar zal Hij (Jezus) naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Grieken in de verstrooiing gaan (naar de Joden die onder de heidenvolken waren verstrooid en tot die heidenvolken waren gaan behoren) en de Grieken onderwijzen (Johannes 7:35)?
Nu woonden er Joden in Jeruzalem, godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn. Toen dan dit geluid klonk, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parthen, Meden en Elamieten en zij die inwoners zijn van Mesopotamië, Judea, Kappadocië, Pontus en Asia, Frygië, Pamfylië, Egypte, en de streken van Libië, dat bij Cyrene ligt, alsook de nu hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken (Handelingen 2:5-11).
Kajafas profeteerde dus dat de Heere Jezus zou sterven voor heel het Joodse volk in binnen- en buitenland, ook de Joden die tot de heidenvolken waren gaan behoren. Christus zou sterven voor dat hele Joodse volk en niet voor bepaalde Joden uit het volk.
Tot slot:
God is Licht. Christus, God de Zoon, is Licht.
Kom tot het Licht, wees niet bang.
Wees niet bang dat uw boze werken openbaar worden.
Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt immers van alle zonden. Ja, het heeft u al gereinigd van uw zonden. God was in Christus (aan het kruis) de wereld namelijk met Zichzelf verzoenende en rekende hen hun zonden niet toe (2 Kor. 5:19), want ….
Hij is Liefde.
En Hij is Licht.
God is Liefde.
En God is Licht.
En daarom is Hij, tenslotte, ook Leven ….
Eeuwig leven. Leven tot in eeuwigheid.
Amen, ook tot in eeuwigheid.